- lap
- n. lik; slok, opslokken; kabbelen, klotsen (van water)--------n. schoot; ronde; flap--------n. verpakking; overlapping; gedeeltelijke overlapping; overlapt deel; ronde (in een wedstrijd); schijf voor het polijsten van diamanten--------v. likken; slurpen, slikken; kabbelen (van golven); klotsen (van water)--------v. verpakken; overlappen; gedeeltelijk overlapt zijn; op een voorsprong zijn (een of meerdere ronden)lap1[ læp] 〈zelfstandig naamwoord〉1 schoot 〈ook van kledingstuk〉2 overlap(ping) ⇒ overlappend deel, overslag3 〈sport〉(baan)ronde4 etappe 〈in het bijzonder van reis〉5 lik ⇒ geslurp, (ge)slobber6 gekabbel ⇒ geklots♦voorbeelden:4 last lap • laatste ruk¶ in the lap of the gods • in de schoot der goden/toekomstlive in the lap of luxury • in weelde baden————————lap2〈lapped〉I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 〈+against〉kabbelen (tegen) ⇒ klotsen (tegen)2 〈sport〉een ronde afleggen♦voorbeelden:2 lap in under 30 seconds • een rondje draaien van minder dan 30 secondenII 〈onovergankelijk en overgankelijk werkwoord〉1 likken ⇒ oplikken♦voorbeelden:1 lap up • oplikken, opslorpen; 〈informeel, ook figuurlijk〉verslinden, indrinkenIII 〈overgankelijk werkwoord〉1 omslaan ⇒ omgeven, omwikkelen2 〈sport〉lappen ⇒ een (of meer) ronde(n) voorsprong nemen op
English-Dutch dictionary. 2013.